splash1... splash2... splash3...

Kynologische Kennis 1 en 2

Bij voldoende deelname organiseert KC Hoogeveen ieder jaar de cursussen Kynologische Kennis 1 en Kynologische Kennis 2. kynologische kennis

Op deze pagina vind u alle informatie omtrent de inhoud van beide cursussen:

De inhoud van de KK1 cursus

Hoofdvakken
a. De structuur en werkwijze van de georganiseerde kynologie; opzet van de stam- boekhouding, gang van zaken bij exposities, algemene bepalingen betreffende de hondensport en wedstrijden en relevante bepalingen van het tuchtrecht.

b. Rassen kennis; Het aan de hand van afbeeldingen kunnen herkennen van regelmatig op Nederlandse tentoonstellingen uitgebrachte honden, het kunnen plaatsen van deze honden in hun betreffende rasgroep, het land van oorsprong, enige kennis omtrent het gebruiksdoel, werk/karaktereigenschappen en aanverwante rassen binnen de rasgroep.

c. Voedingsleer; De verschillende nutriënten in de hondenvoeding en hun belang daarin. (Eiwitten - vetten - koolhydraten - vitamines - mineralen/sporenelementen - water). Begrippen als energie, stikstofbalans, biologische waarde van eiwitten, aminozuren, voedingswaarde van eiwitten, vetten en koolhydraten.
De gevolgen van tekorten en overdoseringen van de verschillende nutriënten. De anatomie van het gebit en het spijsverteringskanaal en kennis van de wijze van vertering van de verschillende nutriënten.
De verschillende voedingsmiddelen en de wijze van aanbieding. De verschillende vormen van commerciële hondenvoeders en de voor- en nadelen. Afwijkende voedingen, drachtige/zogende teef, pups en opgroeiende honden.

d. Voortplanting; De anatomie van de mannelijke en vrouwelijke voortplantingsorganen.
De voortplantingscyclus bij de teef, de duur van de verschillende periodes (pro-oestrus, oestrus, met-oestrus en an-oestrus) en kennis van de uitwendige verschijnselen en gedrag die hier mee gepaard gaan. Het normale gebeuren bij de dekking en tijdens de dracht. Het normale verloop van de partus en het herkennen van afwijkingen hiervan. Mogelijke hulp bij de geboorte en bij de pasgeboren pups. Het belang van het colostrum.

e. Gedragsleer; De verschillende periodes in de groei van de pup. (vegetatieve fase, inprentingfase, socialiseringsfase). Het belang hiervan en hoe er mee om te gaan. De basisprincipe van het normale gedrag en afwijkingen hiervan. (roedelgedrag, rangorde, dominantie, onderwerping, communicatie, en territoriumgedrag).

f. Erfelijkheidsleer; De basisprincipes van de erfelijkheidsleer zoals de wetten van Mendel, verschil geno- fenotype, homo-heterozygoot, dominantie-recessiviteit-incomplete dominantie, mutaties, geslachtsverbonden vererving.

Bijvakken

g. De in de kynologie gehanteerde terminologie.

h. Gezondheidsleer; Het voorkomen en bestrijden van de meest voorkomende in- en uitwendige parasieten (vlooien, teken, luizen, mijten, spoel- en lintwormen) Een aantal infectieziekten (hondeziekte, parvo-virus, HCC, leptospirose, kennelhoest, rabiës) en hun preventie. Het herkennen van een ziek dier. (het gedrag, niet eten, koorts, etc.) Het herkennen van uitwendig waarneembare anatomische afwijkingen zoals afwijkende gebitstanden, entropion, ectropion, etc.

i. Verzorging en huisvesting; De verzorging en verschillende vachtstructuren, gebit, nagels, oren en ogen. De huisvestingsnormen zoals vervat in het Honden- en Kattenbesluit.

De inhoud van de KK2 cursus:

Hoofdvakken

a. Cytologie; De algemene opbouw van de cellen. De bouw en functie van de verschillende weefsels. (dek-, klier -bind- en steunweefsel, bloed spieren en zenuwstelsel). De werking en het belang van het DNA en RNA. De verschillende vormen van celdelingen. (meiose en mitose).

b. Anatomie; De bouw van het hondenskelet en benoeming van de onderdelen. De gevolgen van deze constructie voor de beweging. De opbouw van de verschillende gewrichtstypen en hun gevolgen voor de beweging. De verschillen in bouw en functie van de verschillende spiertypen. (Dwarsgestreept-glad). De loop van de belangrijkste skelet spier(groep)en van voor-, achter- en middenhand, hun functie bij beweging en instandhouding van de skeletconstructie. (Nekband, M.Trapezius, rhomboideus, serratus ventralis, brachiophalicus, omtransversarius, biceps brachii, triceps, deltoideus, lattissimus dorsi, pectoraalspieren, longissimus dorsi, rectus abdominus, psoas minor, quadratus lumborum, quadriceps femoris, gluteus, broekspieren, gastrocnemicus).

c. Fysiologie; De taken van het ademhalingsstelsel, luchtsamenstelling, anatomie en fysiologie van de luchtwegen en het longweefsel. Het bloed en bloedvatenstelsel, van de lymfe en het lymfvatenstelsel, taken van het bloed, samenstelling van het bloed, bloedcellen, bouw en functie van het hart en bloedvaten, bouw en functie van de milt en lymfeklieren. De anatomie en fysiologie van de belangrijkste uitscheidingsorganen, nieren en lever, overige organen die aan de uitscheiding bijdragen , longen, speekselklieren, darmwand, zweetklieren. Overige functies van de lever. De bouw en taken van de huid en vacht. De bouw en taken van het zenuwstelsel, grote en kleine hersenen, verlengde merg, ruggemerg en perifere zenuwen. De taken en functies van het autonome zenuwstelsel, raakpunten met hormoonstelsel. De anatomie en fysiologie van de zintuigen, oog, oor, evenwichtsorgaan, reuk-, smaak- en tastzintuigen. De anatomie en fysiologie van het hormoonstelsel. (Hypofyse, schildklieren, bijschildklieren, alvleesklier, bijnieren, gonaden). De fysiologie van de voortplanting, invloed van hormonen (FSH, LH, oestrogeen, progestron, prolactine, ocytocine) op de vrouwelijke cyclus, dracht en geboorte.

d. Erfelijksheidsleer; Interacties van genen die geen allelen zijn, begrippen als complementaire genen, epistasie, hypostasie, cryptomerie. Begrippen als koppeling en crossing over, multiple allelen. De vererving van haarkleuren bij de hond. De invloed van milieu op fenotype. De beginselen van de populatiegenetica: begrippen als variabiliteit, kwantitatieve en kwalitatieve eigenschappen, polygene vereving, erfelijkheidsgraad, genfrequentie. Inteelt, lijnteelt, outcross, heterosis. Natuurlijke en kunstmatige selektie en hun invloed op het voorkomen van erfelijke gebreken.

Bijvakken

e. Bewegingsleer; Verschillende wijzen van voortbeweging (Stap, telgang en diagonale draf, verschillende soorten van galop). De ligging en verplaatsing van het zwaartepunt, hoe wordt dit opgevangen bij verschillende gangen.

f. Embryologie; Enig begrip van de vroeg-embryonale ontwikkeling van de foetus. (Ontwikkeling van de drie kiembladen, ectoderm, entoderm en mesoderm, en de differentiatie van de verschillende weefsels en organen).

g. Reglementen; Reglementering omtrent het ambt van keurmeester en omtrent de gang van zake op de ver- schillende exposities: K.R. Hfdst. IV titel 2, titel 3 afd. 5, titel 4 afd. 4, titel 5 afd. 4 en titel 6 afd. 4.